DE GESCHIEDENIS VAN DE GROT TRABUC

De TRABUC grotten zijn al sinds de oudheid bekend; E. Dumas vermeldt de ontdekking van botten en gerededschappen, hetgeen lijkt aan te geven dat de grotten werden bewoond door prehistorische mensen en zelfs tot aan de Romeinse tijd. Het is gemakkelijk te begrijpen waarom men hier wonen wilde.

Een smalle ingang , een grote zaal, met het kostbare water, combineren verdedigingsgemak met verstopmogelijkheden, wat de grot tot een gunstige woning maakt.

Later hebben de grotten ook gediend als toevluchtsoord voor de Hugenoten en als opslagplaats voor het kruit. De soldaten van de koning hebben de grot dichtgemetseld, zoals vele andere in de omgeving, om deze te geschikte verstopplaatsen onbruikbaar te maken.
Een eeuw later, heeft de grot vermoedelijk de zgn. Trabucaires en andere roversbendes tot toevlucht gediend. De naam van de grot is afkomstig uit deze troebele tijden. De bandieten droegen een TRABUC, een pistool met een brede opening of een donderbus, een zeer efficiënt en dodelijk wapen als het geladen is.
In het plaatselijke dialect werden de dragers van dit wapen de trabucaires genoemd.
Op deze boeventronies volgden serieuzere ontdekkers, de avantgardisten van de spelonkologie, aangezien de term nog niet bestond, die de geheimen van de grotten probeerden te ontsluieren.

In 1832 dringen Nicod en Gallière zeer ver ondergronds door en kunnen zich terrecht de pioniers der spelonkologie of speleologie noemen. Excursies van drie dagen onder de grond, gaven aanleiding tot ondergrondse campementen.
Gallière, die in de nacht, zonder lamp de weg kwijtraakte, heeft zelfs tweeënvijftig uur in de grotoverleefd, zijn urine drinken en op een veter bijtend, voordat hij gevonden werd.

In deze tijd werd praktisch alles dat men de “oude grotten” noemt geëxploreerd. Later, in 1889 ontdekten de entomologisten, V. Maget en G. Mignaud, hier een diersoort de grottenvlokreeftjes, Bathyscia Mialetensis genoemd, ter ere van de grot van Mialet.

1899 : het jaar waarin alle gangen en netwerken van TRABUC doorkruist zijn door de eerste speleologen. Mazauric, medewerker van Martel, beschrijft ze in het tijdschrift van de Franse Speleologievereniging. De kaart van het netwerk aan gangen en zalen is in 1920 in het tijdschrift “Spelunca” gepublicieerd. Hij liet al zien hoe groot de grot was die toen al bekend was in de speleologische wereld.
Al in deze tijd waren er toeristische bezichtigingen van de diepere delen van de grot, via de natuurlijke ingang. De lagere doorgang “ l’estrangladou” leidde naar de Salle des Vasques (bekkenzaal), waar de gids met een fakkel of kaars in de hand, de Bengaalse vuren ontstak, die hij verkocht om een extra zakcentje te verdienen. Hoewel de zaal erg groot is, was hij snel gevuld met rook en de hele meute begaf zich dan op de tast achter de gids aan richting uitgang.
Een bezoek op 14 juli behoorde tot het Nationale feest en in het voorkeet schoppen zeer geschikte duister ging het er vrolijk aan toe. In 1945 kwam er een nieuwe periode van ontdekkingen, te danken aan het doorzettingsvermogen van M.G. Vaucher, met behulp van zijn zonen Marc en Olivier. Nu was een groots netwerk bekend: meer dan 7 km gangen en zalen zijn onderzocht.
Vandaag de dag is de verkenning en ontdekking van het netwerk nog steeds niet beëindigd. Er zijn vele veelbelovende gedeeltes: de plafonds worden onderzocht, verstoppingen worden uitgegraven, men kruipt in sifons in de lagere delen van het netwerk!
De TRABUC heeft nog niet al zijn geheimen prijsgegeven.
Zoals in vele grote ondergrondse netwerken, wachten de hardnekkige speleologen nog enige verrassingen.